Reportage over het front in Hilvarenbeek in 1944 (1): de hel breekt los  

Een redacteur van ‘Veritas’, een tweewekelijkse katholieke krant in Maastricht, volgde de opmars van de geallieerden in oktober 1944 op de voet. Hij belandde op een gegeven moment ook bij de frontlinie in Hilvarenbeek, waar de Engelse troepen onder hevig vuur van de Duitsers lagen. Enkele fragmenten uit deze reportage, in de oude spelling.

‘That’s only English fire’, vertelde mij de Tommy uit Stockport bij wijze van geruststelling. Het waren Engelsche granaten….! Niettemin lagen wij, de rustige Tommy uit Stockport en ik, in een bijzonder nederige houding langs den rand van den weg.

Over onze hoofden zochten gierend de granaten hun onheilspellende weg, van linie tot linie. Vlak bij ons, in de dichte donkerte van het bosch keften nijdig de machinegeweren en sisten vijandelijke kogels in de dorre bladeren op den grond.

Soms — onverwacht — was er een haast doodelijke stilte. Dan merkte men opeens, dat het zachtjes maar gestadig regende, dat de grond doorweekt en doorploegd was. Dan joeg de kille avondwind kruitdamp en den bijtende geur van smeulend hout over den weg. En dan viel het oog op twee ruwe, houten kruisen aan den wegrand op de plaats waar twee onzer vijanden, ver van huis, het eind van dezen oorlog vonden….

Provisorisch graf van een gesneuvelde Duitse soldaat,  langs wat nu de Willekensdreef in Diessen is. Mei 1940. [Gecorrigeerd] 
Totdat plots de hel opnieuw in al haar hevigheid losbarst, de projectielen weer over ons heen-huilen en het irriteerende tak-tak-tak der machinegeweren weer opklinkt. Soms antwoorden de Duitschers, ginds. Dan dreunt de grond onder den inslag en drukken wij ons dichter tegen den grond.

‘Als ze zoemen’, zegt de Tommy uit Stockport, ‘zijn ze het gevaarlijkst!’

Toen er een nieuwe pauze intrad ben ik teruggereden. Terug naar het kleine Brabantsche dorpje [bedoeld is Hilvarenbeek] waar de avond nu in donkere schemerflarden door de straten kruipt, waar geen ruit meer heel en geen huis onbeschadigd is, waar dag en nacht alles dreunt onder de roffels der zware artillerie, waar nu en dan nog verdwaalde granaten inslaan en waar men vandaag voor de vierde maal de vrijheid-vierende vlaggen heeft uitgehangen, nadat het driemaal noodig was geweest, ze weer in te halen.

Ik had verder willen rijden, dien avond. Noordelijker, richting Tilburg, dat in normale tijden met een snellen wagen van hieruit in nauwelijks tien minuten te bereiken is, maar waarvan wij nu gescheiden zijn door het front.

Riskante onderneming

Een Engelsche officier raadde ons deze riskante onderneming echter af. Want het is riskant te dwalen achter het front in Brabant […] Vooral bij avond.

Het gebeurt wel, dat groepjes Duitschers die zich in de bosschen verscholen houden onder dekking van het avondlijke duister uit hun schuilplaatsen tevoorschijn komen niet alléén om boerderijen te plunderen maar ook om de wegen waarover de geallieerde aanvoer naar het front gaat te ondermijnen. Wie als ongewapend burger het ongeluk heeft, een dergelijk stuk germanendom te ontmoeten, heeft pech. Zijn wagen is hij in ieder geval kwijt, zijn kleren eveneens, en hij loopt bovendien een zeer behoorlijke kans, dat hij bij een dergelijke ontmoeting niet alleen zijn pas verworven vrijheid, maar ook zijn leven verliest.

De bevrijde Brabanders zelf zijn met deze zonderlinge frontsituaties reeds vertrouwd geraakt. Er zijn dorpjes geweest, waar men op één dag tot driemaal toe bevrijd, bezet en opnieuw bevrijd werd, zonder dat er één schot gelost was en vooral in het gebied ten Noord-Oosten van Eindhoven, waar de geallieerde corridor naar het gebied van Nijmegen oorspronkelijk uiterst smal was en herhaaldelijk door Duitsche tanks werd afgesneden, dreigde er voor sommige plaatsen dikwijls groot gevaar, en alleen het rotsvaste vertrouwen in de kracht der geallieerden zorgde er daar voor, dat de bewoners het hoofd koel hielden.

[…]

Troosteloze ruïnes

Nog staat de vijand in een groot deel van Brabant. Nog trekt het front een roode streep door dit goede, mooie land, van Woensdrecht tot voorbij Den Bosch. Ik zag op mijn tocht plaatsjes als Middelbeers en Vessem die dagenlang front zijn geweest en nu nog slechts bestaan uit troostelooze rijen ruïnes. En wat mij het diepste trof was, dat dit volk niet klaagt, doch werkt. En bouwt! Aan een nieuwe, betere toekomst, waarin ook de ruïnes van Eindhoven, Hilvarenbeek, Middelbeers en Vessem plaats zullen maken voor nieuwe, grootere steden en nieuwe, zij het wellicht wat minder intieme dorpen.

Maar er is één klacht, welke niemand uitspreekt, doch die ge kunt lezen van de gezichten van dit godvruchtige volk als het zich, op weg naar werk of weide, langs de dorpskerk spoedt; Brabant werd het land der kreunende kerktorens. Zooals de kerk van het even over de Belgische grens gelegen plaatsje Weelde één wrakhoop is en het bij de kerk gelegen kerkhof volledig verwoest werd, […] zoo vindt men, in Brabant, overal kerktorens welke door den vijand misbruikt werden voor het doen van artillerie-waarnemingen en daarna wel door de Britsche troepen onder vuur genomen moesten worden. En waar de krijgsverrichtingen een dergelijke beschieting niet noodzakelijk maakten, daar groeven de Duitschers vóór hun aftocht het alles vernietigende dynamiet onder den toren. […]