Op vrijdag 15 augustus 2025 is het drieëntachtig jaar geleden dat zich op Landgoed Gorp en Roovert een gruwelijk drama voltrok. In de nacht werden vijf mannen, die als gijzelaars vastzaten in Beekvliet en Haaren, door de Duitse bezetter vermoord. Twee andere gijzelaars werden later omgebracht in de bossen bij Woudenberg (provincie Utrecht). Elk jaar worden de slachtoffers van deze executie op locatie herdacht. De herdenking op Gorp begint om 12.00 uur.
Op Gorp en Roovert is een gedenkplaats ingericht die de herinnering aan de gewelddadige van de gijzelaars levend houdt. Er staan vijf replica’s van de palen waar de slachtoffers voor hun executie aan vastgebonden werden. De originele palen bevinden zich in heemkundig museum De Schutsboom in Goirle.

Arrestatie bestuurlijke elite *
Op 4 mei 1942 arresteerden de bezetters 460 hoogleraren, politici, schrijvers, musici, advocaten, geestelijken, burgemeesters: een doorsnede van de bestuurlijke elite van Nederland.
Met vrachtwagens werden ze vanuit het hele land samengebracht naar een gijzelaarskamp in St. Michielsgestel. Ruim twee maanden later zouden nog eens iets van 800 Nederlandse gijzelaars in een kamp (grootseminarie Haerendaal) in Haaren worden vastgezet
Tot eind 1944 zouden ze als gijzelaars vastzitten in het voormalige kleinseminarie Beekvliet in St. Michielsgestel en in Haaren, onder wie bekende figuren als Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken, Johan Huizinga, Jan de Quay, Willem Schermerhorn. Daarnaast waren er ook vele onbekende gijzelaars, zoals journalist Herman van Run, maar ook de Beekse politicus en landbouwingenieur Cees van Meel.
Ze waren niet te vergelijken met ‘gewone gevangenen’; De Duitsers beschouwden deze groep als onderpand. Zolang de Nederlandse bevolking zich netjes en coöperatief gedroeg, zouden de gijzelaars geen haar op het hoofd worden gekrenkt.
Was dit niet het geval, dan zouden één of meerdere van hen zonder pardon worden geëxecuteerd. Hetgeen gebeurde op landgoed Gorp en Roovert . Zo fungeerden de gijzelaars als een soort ‘represaille-reserve’.
*) Tekst: Andere Tijden


De gefusilleerde gijzelaars
ROBERT BAELDE, geboren in 1907, stamde uit een vooraanstaande Rotterdamse familie. Hij was actief in het sociaal-pedagogisch werk op vrijzinnig-christelijke grondslag. Aanvankelijk in het bijzonder ten behoeve van werklozen. Nadien leidde hij een volkshogeschool. Hij werd op 4 mei 1942 gegijzeld in Beekvliet, vermoedelijk wegens zijn werk als secretaris van de Nederlandse Unie in Rotterdam. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Goirle, op 15 augustus 1942.
CHRISTOFFEL BENNEKERS, geboren in Zwolle in 1894, werd na verschillende functies in de Landmacht en bij de politie in maart 1940 benoemd tot hoofdinspecteur van de politie in Rotterdam. Na de capitulatie in mei 1940 vernietigde hij alle papieren die voor de Duitsers van belang konden zijn. Ook overigens wist de bezettende macht dat zij niet op zijn medewerking zou kunnen rekenen. Hij werd op 13 juli 1942 gegijzeld in Haaren. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Goirle op 15 augustus 1942.
JAN HAANTJES, geboren in Balk in 1894, was typograaf en vakbondsman. Zijn werk voor de Algemene Nederlandse Typografenbond bracht hem uiteindelijk naar Enschede. Daar werd hij tevens gekozen in de gemeenteraad, namens de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP). In 1928 werd hij fractie-voorzitte, in 1937 wethouder. Hij vertegenwoordigde de SDAP ook in de Provinciale Staten van Overijssel. Hij werd op 13 juli 1942 gegijzeld in Haaren. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Woudenberg, op 16 oktober 1942.
JACOBUS VAN DEN KERKHOFF, geboren in Rotterdam in 1898, was timmerman en actief lid van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond. Hij zat namens de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) in de gemeenteraad van Velsen en – sinds 1939 – Zwolle. In 1939 werd hij tevens districtsbestuurder voor zijn vakbond. Dit werk zette hij na mei 1940, onder Duitsgezind toezicht, aanvankelijk voort. Toen de bond per I mei 1942 moest opgaan in het nationaal-socialistische Nederlandse Arbeidsfront (NAF), weigerde hij echter zijn medewerking. Tegen deze achtergrond werd hij op 4 mei 1942 gegíjzeld in Beekvliet. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Woudenberg, op 16 oktober 1942.
OTTO GRAAF VAN LIMBURG STIRUM, geboren in Oosterbeek in 1893, was in verschillende functies werkzaam bij het Openbaar Ministerie, het laatst als Substituut Officier van Justitie in Arnhem. De reclassering had zijn bijzondere belangstelling. In oktober 1941 kwam hij in conflict met de nationaal-socialistische Procureur Generaal bij het Amhemse Gerechtshof. Als gevolg daarvan werd hij ontslagen. Een functie elders, eveneens onder Duitsgezinde leiding, weigerde hij.Hij werd op 4 mei 1942 gegijzeld in Beekvliet. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Goirle, op 15 augustus 1942.
WILLEM RUYS, geboren in Rotterdam in 1894, doorliep buiten Nederland een scholing in het scheepvaartbedrijf. Sinds 1919 was hij als reder werkzaam bij de scheepvaartmaatschappij Rotterdamsche Lloyd. In 1940 en1941 werd hij twee maal enkele maanden door de bezetters gevangengezet, wegens een verdenking van betrokkenheid bij illegale activiteiten. Hij werd op 13 juli 1942 gegijzeld in Haaren. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Goirle, op 15 augustus 1942.
ALEXANDER BARON SCHIMMELPENNINCK VAN DER OIJE, geboren in Den Haag in 1913, studeerde in Parijs en Florence. In die laatste stad was hij tevens werkzaam voor het Nederlandse Consulaat. Na zijn terugkeer in Nederland, in juli 1940, werkte hij onder meer bij een verzekeringsmaatschappij en voor de exploitatie van eigen landbezit in Zeeland. Op 3 mei en 10 juli 1942 wilden de bezetters hem in gijzeling nemen, maar troffen hem niet op het opgegeven adres aan. In de nacht van 13 op 14 augustus werd hij alsnog gevangen genomen en naar Beekvliet overgebracht. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Goirle, op 15 augustus 1942.
HEIN VRIND, geboren in 1913 in Zullchow (Duitsland), uit een gemengd Nederlands-Duits huwelijk, studeerde rechten in Leiden. Hij was actief in de jeugdbeweging, de drankbestrijding en de vredesbeweging. Hij zat wegens dienstweigering drie maanden gevangen. Als advocaat in Almelo, sinds 1937, was hij onder meer adviseur van het Bureau voor Arbeidsrecht van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NW). Nadat het NVV in juli 1940 onder nationaal-socialistisch toezicht was geplaatst, bleef hij deze functie aanvankelijk vervullen. In juni 1941 legde hij haar echter neer. Hij werd op 13 juli 1942 gegijzeld in Haaren. Hij werd gefusilleerd in de bossen bij Woudenberg, op 16 oktober 1942.
Bron: Gedenkboek Gijzelaarskamp Beekvliet St. Michielsgestel (Schiedam z.j.); Gedenkboek Gijzelaarskamp Haaren (’s-Gravenhage 1947)
