Sjaak Joosten was jachtopziener op Landgoed De Utrecht dus het was niet verwonderlijk dat hij, en zijn vrouw Pieta, in de Tweede Wereldoorlog betrokken raakten bij de hulp aan onderduikers. Ad van Rijswijk sprak daarover met hun dochter Coby, en vulde het relaas aan met gegevens uit zijn eigen archief.
door Ad van Rijswijk
Pieta en Sjaak Joosten-Larmit trouwden op 26 mei 1942 in Hooge Mierde en vertrokken op de avond van hun trouwdag naar Duivelsrijt D115 in Esbeek. Later veranderde het adres in Lage Mierdseweg 22.

Sjaak was eigenlijk slager van beroep en had daarvoor vanaf zijn veertiende jaar diverse opleidingen genoten. Zijn laatste adres was Ducheine in Reusel. Pieta was kleermaker en had daarvoor alle diploma’s gehaald bij Moeskops in Reusel. Ze mocht ook lesgeven in het vak. De bedoeling was dat het jonge paar een eigen slagerij zou starten, maar de Tweede Wereldoorlog gooide roet in het eten. Aangezien het jagersbloed in de genen zat, besloot Sjaak dan maar voor het jachtopzichters vak te kiezen. Zijn vader was tot 1942 rijksveldwachter in Vessem, later jachtopzichter op Annanina’s Rust omdat hij niet voor de Duitsers wilde werken. Omdat de toekomstdromen van het jonge paar door de oorlog niet in vervulling konden gaan, besloot Sjaak te solliciteren voor een baan als jachtopzichter. Vooral ook omdat er een dienstwoning werd aangeboden. En zo werd Sjaak tweede jachtopzichter. Nu kon het jonge paar samen hun leven beginnen.
Broers in het verzet
Omdat een paar broers van Pieta in het verzet zaten, werden er regelmatig Joden en piloten op Duivelsrijt afgeleverd. Sjaak moest deze mensen dan proberen over de grens te smokkelen bij Kruisberg. Daar werden ze opgevangen door andere jachtopzichters uit België en mogelijk door bekenden die ook in het verzet zaten. Een van de namen die Coby Joosten zich me als kind herinnert was die van Sjef Willems uit Weelde.
Sjaak en collega Piet Gielens beheerden de jacht voor de textieindustriëlen uit Tilburg, o.a. de heren Enneking, Wouters, Mutsaerts. Uiteraard werd in het gebied behoorlijk gestroopt. ‘Ik herinner me nog het pak processen-verbaal dat veilig in de slaapkamerkast lag. Helaas heb ik ze niet kunnen redden. Toen ik er pa op zijn oude dag naar vroeg, bleek dat hij ze verbrand had voor de verhuizing naar Goirle.’
Terug naar de stroperij. Evenmin als de Nederlanders mochten Duitsers stropen. Op een goede dag had Sjaak een Duitser bekeurd. Eigenlijk was dat niet slim, want het leverde het nodige gedoe op dat tot jaren na de oorlog verteld werd. De “Hauptkommandant” en de burgemeester, alles was er mee gemoeid.
De angst dat je bij eventuele ondervraging ook dingen los zou laten die bij het verzet hoorden, was levensgevaarlijk.

Kinderwagen met baby boven schuilplaats
Toen Pieta en Sjaak korte tijd in hun huisje woonden, was er in hun slaapkamer een manshoogte ruimte onder de vloer gemaakt. ‘Misschien hebben ze hem zelf gemaakt. Dat weten we niet. Bij onraad kon Sjaak er gebruik van maken. ’s Avonds voor het naar bed gaan werd het zeil opgerold en het luik opengezet. Zo nodig kon hij er zich in verbergen.’ Pieta moest dan het deksel erop doen, het zeil erover, en de kinderwagen met baby Coby er bovenop zetten. Mocht er ’s nachts onraad zijn omdat er gezocht werd naar de hulpverleners van parachutisten of Joden, dan kon diegene die gezocht werd in het gat verdwijnen.
Sjaak heeft gelukkig zelf nooit gebruik hoeven te maken van de ruimte onder de slaapkamer. Wel heeft hij regelmatig ondergedoken gezeten in de fanzantenkooi van Piet Gielens op het Dun. Mogelijk zaten ze er samen.
In maart 1944 stort er een Lancaster Mark ! ME 672 bommenwerper neer in de omgeving van De Flaes. Bij het bergen en zoeken naar bemanningsleden van het vliegtuig zagen Sjaak en Piet Gielens een lijk drijven in “de Flaes” en in het naastgelegen ven “het Goor” dreef een naakte man. Zijn handen en voeten waren met een touw bijeengebonden en hieraan waren enkele bakstenen bevestigd. De door Sjaak en Piet Gielens gewaarschuwde politie haalde het lijk uit het water. De omgeving van het ven werd afgezocht, maar kleren of iets, waaruit de indentiteit van den onbekende kon worden vastgesteld, werden niet gevonden. Het lijk werd in beslag genomen voor nader onderzoek. De man is in jute zak naar Lage Mierde gebracht, alwaar hij later is begraven.
Vermoedelijk was deze man een van de drie infiltranten in de verzetsgroep Smit/van der Heijden Esbeek/Hilvarenbeek.

Oproep voor Arbeideinsatz
‘Mijn voornaam heb ik aan de oorlog te danken. Het was in die tijd gebruikelijk dat een baby genoemd werd naar zijn grootouder. De eerste zoon naar vader van vaderskant, de eerste dochter naar de moeder van moederskant. Dus ik zou Jacoba, Joanna, Huberta, Maria gaan heten, roepnaam Koosje. Tegen dat ik naar school ging werd er door mijn moeder Coby van gemaakt..Maar …….een maand voor mijn geboorte zou vader Sjaak te werk gesteld worden in Duitsland. Hij moest op een kwade dag in Amersfoort verschijnen. De mogelijkheid was aanwezig dat hij niet meer terug naar huis mocht.’
Spanning alom. Sjaak en Pieta hebben elkaar proberen te troosten onder andere met het idee het kindje dat binnen een maand geboren zou worden, naar zijn of haar vader te noemen. Pieta zou dan altijd een herinnering aan hem hebben!
Het lot wilde anders. Sjaak had in Amersfoort een “Ausweis” bij zich van zijn werkgevers en dankzij dat papiertje kwam hij een ervaring rijker en een illusie armer, gezond weer terug. De wijze waarop de Duitsers met de mannen omgingen die op de uitslag wachtten wat er met hun toekomst gebeurde, had veel indruk op hem gemaakt.
Coby: ‘Ondanks dat Sjaak veilig thuis kwam hebben mijn ouders toch besloten mij naar mijn vader en overgrootvader te vernoemen.”

[Opgetekend in 2022]